De zoektocht naar het meest verwerpelijke artikel in het fiscaal recht is geen eenvoudige opdracht. Het fiscaal recht staat immers bol van verwerpelijke artikelen. Als uit deze lijst echter één bepaling moet worden gekozen, dan gaat de hoofdprijs voor het meest verwerpelijke fiscale wetsartikel wat mij betreft toch naar artikel 108 W. Succ., omwille van de perverse effecten die deze bepaling kan hebben.

Artikel 108 W. Succ. is een fiscale fictiebepaling die de fiscus toelaat om op basis van een vermoeden van eigendom successierechten te heffen. Het artikel laat de administratie toe om te vermoeden dat vermogen vermeld in akten van eigendom op naam de overledene, nog steeds aanwezig is in diens nalatenschap op datum van het overlijden, en dus onderworpen moet worden aan successierechten. De erfgenamen kunnen dat vermoeden ontkrachten, maar dan moeten zij aantonen wat de erflater met zijn vermogen heeft gedaan. Als zij dat bewijs niet kunnen leveren, is de taxatie onvermijdelijk.

De wetgever wou er met artikel 108 W. Succ. voornamelijk voor zorgen dat ook handgiften van minder dan drie jaar voor het overlijden aan successiebelasting zouden worden onderworpen. Op zich valt dat te begrijpen, maar terzelfdertijd heeft de wetgever er ook voor gezorgd dat artikel 108 W. Succ. zeer perverse gevolgen kan hebben.

Waartoe dat kan leiden, kan makkelijk worden aangetoond met een simpel voorbeeld. Een alleenstaande heeft twee jaar voor zijn overlijden zijn onroerend goed verkocht voor 200.000 euro. Zijn broer, met wie hij geen enkel contact meer had, is zijn enige erfgenaam. Die aanvaardt de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving. Op het ogenblik van het overlijden bevatte de nalatenschap enkel nog een tegoed op een spaarrekening van 50.000 euro. De broer, die niet op de hoogte was van de verkoop van het onroerend goed, ontvangt het tegoed van de nalatenschap en dient daarvoor een aangifte in. Nadien roept de fiscus het vermoeden van artikel 108 W. Succ. in en wordt de broer gevraagd te verklaren waar het saldo van de verkoop, hetzij 150.000 euro, naar toe is gegaan. Aangezien de broer geen enkel contact meer had met de overledene, kan hij daarover geen uitleg geven, met als gevolg dat van hem ook successierechten zullen worden gevorderd op het saldo van 150.000 euro. In totaal zal de broer 98.750 euro aan successierechten moeten betalen, daar waar hij in werkelijkheid slechts 50.000 euro uit de nalatenschap heeft verkregen. Het feit dat hij de nalatenschap heeft aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving is daarbij irrelevant, aangezien dat geen bescherming biedt tegen de toepassing van artikel 108 W. Succ., hetgeen wettelijk is vastgelegd in artikel 73 W. Succ. De toepassing van artikel 108 impliceert dan ook simpelweg dat men vaak onwetendheid belast. Als men als erfgenaam niet op de hoogte is van het wel en wee van de erflater, dan loopt men door dit artikel, zelfs bij een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, het risico belast te worden op erfelijk vermogen dat men nooit heeft ontvangen, en kan men daardoor zelfs geruïneerd raken.